Marja Vijn, Natuurvoedingskundige

     
 

Terug naar Home

Naar Gezonde wereld

 

 

Mythe 4

Mythe 4:
Industriële landbouw is efficiënt

Niet waar, want: kleinschalige boerderijen produceren meer landbouwproducten per hectare. Sterker nog, grote boerderijen met minder diversiteit hebben meer technische en chemische toevoegingen nodig. Dat is schadelijk voor het milieu.

Hoe groter een boerderij, hoe efficiënter, beweren voorstanders van industriële landbouw. En hoewel wordt toegegeven dat grootschalige boerderijen het verlies van familiebedrijven en landelijke gemeenschappen betekent, houden ze voet bij stuk dat dit nu eenmaal het onvermijdelijke gevolg is van efficiënte voedselproductie. Ze gaan zelfs verder en ridiculiseren kleinschalige boerderijen als hoogst inefficiënt en ouderwets. Door ‘megatechnologie’ te introdueren in de industriële landbouw, wordt dat beeld versterkt.
Maar bigger is better mag dan nog zo prettig rijmen, juist is het niet. Talrijke studies tonen aan dat kleine boerderijen in feite efficiënter zijn dan grote, industriële boerderijen. Als boerderijen groter worden, stijgen namelijk ook de productiekosten per eenheid, omdat grotere oppervlakten duurdere machines vereisen en meer chemische toevoegingen om de gewassen te beschermen. Die werkwijze tast de bovengrond aan, de meest vruchtbare aarde. In Europa en de Verenigde Staten verdwijnt de bovengrond zeventien keer sneller dan de natuur haar kan aanmaken.
Grootschalige, industriële landbouw betekent vaak het aanleggen van een monocultuur van één enkel gewas. Dat ondermijnt de genetische zuiverheid van gewassen, waardoor ze meer ontvankelijk worden voor ziekten. Daarom hebben de gewassen meer bestrijdingsmiddelen nodig om evenveel te kunnen opleveren – een klassiek geval van de wet van de verminderde meeropbrengst.
Dat groter gelijkstaat aan efficiënter, komt mede door een definitieprobleem. De ‘opbrengst’ kan worden opgevat als de productie per hectare per gewas. Een graanboer wordt dus beoordeeld op hoeveel ton graan hij produceert per hectare. De hoogste opbrengst van een enkel gewas als graan kan – inderdaad – het beste worden bereikt door het op grote, industriële schaal te planten in een monocultuur die eenvoudig is te behandelen met zware machines en intensief gebruik van chemicaliën. Kleine boerderijen kunnen hiermee nauwelijks concurreren.
Maar. Kleinschalige boeren zijn geneigd om verschillende gewassen tegelijk te verbouwen. Daardoor kunnen in de lege ruimten waar op akkers met monoculturen anders onkruid groeit, andere gewassen groeien. Ze zullen ook eerder gewassen laten rouleren per seizoen of combineren met veehouderij, zodat de mest de vruchtbaarheid van de grond kan aanvullen. Zo bezien produceren kleinschalige boeren veel meer per eenheid dan grootschalige. Hoewel de opbrengst per gewas lager mag zijn, is de totale opbrengst per hectare aanzienlijk hoger.
Dat wordt ook erkend door verschillende overheidsrapporten. Kleinschalige boerderijen produceren zo’n twee tot tien keer meer per hectare dan grotere. De kleinste boerderijen (27 hectare of kleiner) uit een onderzoek van de Amerikaanse overheid, zijn meer dan tien keer zo productief dan de grootste (6000 hectare of meer) en extreem kleine boerderijen (tot 4 hectare) kunnen meer dan honderd keer zo productief zijn. Efficiënte landbouw is dus gebaseerd op kleinschaligheid.