|
Mythe 4
Mythe 4:
Industriële landbouw is efficiënt
Niet waar, want: kleinschalige boerderijen
produceren meer landbouwproducten per hectare. Sterker nog, grote boerderijen
met minder diversiteit hebben meer technische en chemische toevoegingen nodig.
Dat is schadelijk voor het milieu.
Hoe groter een boerderij, hoe efficiënter,
beweren voorstanders van industriële landbouw. En hoewel wordt toegegeven dat
grootschalige boerderijen het verlies van familiebedrijven en landelijke
gemeenschappen betekent, houden ze voet bij stuk dat dit nu eenmaal het
onvermijdelijke gevolg is van efficiënte voedselproductie. Ze gaan zelfs verder
en ridiculiseren kleinschalige boerderijen als hoogst inefficiënt en ouderwets.
Door ‘megatechnologie’ te introdueren in de industriële landbouw, wordt dat
beeld versterkt.
Maar bigger is better mag dan nog zo prettig rijmen, juist is het niet.
Talrijke studies tonen aan dat kleine boerderijen in feite efficiënter zijn dan
grote, industriële boerderijen. Als boerderijen groter worden, stijgen namelijk
ook de productiekosten per eenheid, omdat grotere oppervlakten duurdere machines
vereisen en meer chemische toevoegingen om de gewassen te beschermen. Die
werkwijze tast de bovengrond aan, de meest vruchtbare aarde. In Europa en de
Verenigde Staten verdwijnt de bovengrond zeventien keer sneller dan de natuur
haar kan aanmaken.
Grootschalige, industriële landbouw betekent vaak het aanleggen van een
monocultuur van één enkel gewas. Dat ondermijnt de genetische zuiverheid van
gewassen, waardoor ze meer ontvankelijk worden voor ziekten. Daarom hebben de
gewassen meer bestrijdingsmiddelen nodig om evenveel te kunnen opleveren – een
klassiek geval van de wet van de verminderde meeropbrengst.
Dat groter gelijkstaat aan efficiënter, komt mede door een definitieprobleem. De
‘opbrengst’ kan worden opgevat als de productie per hectare per gewas. Een
graanboer wordt dus beoordeeld op hoeveel ton graan hij produceert per hectare.
De hoogste opbrengst van een enkel gewas als graan kan – inderdaad – het beste
worden bereikt door het op grote, industriële schaal te planten in een
monocultuur die eenvoudig is te behandelen met zware machines en intensief
gebruik van chemicaliën. Kleine boerderijen kunnen hiermee nauwelijks
concurreren.
Maar. Kleinschalige boeren zijn geneigd om verschillende gewassen tegelijk te
verbouwen. Daardoor kunnen in de lege ruimten waar op akkers met monoculturen
anders onkruid groeit, andere gewassen groeien. Ze zullen ook eerder gewassen
laten rouleren per seizoen of combineren met veehouderij, zodat de mest de
vruchtbaarheid van de grond kan aanvullen. Zo bezien produceren kleinschalige
boeren veel meer per eenheid dan grootschalige. Hoewel de opbrengst per gewas
lager mag zijn, is de totale opbrengst per hectare aanzienlijk hoger.
Dat wordt ook erkend door verschillende overheidsrapporten. Kleinschalige
boerderijen produceren zo’n twee tot tien keer meer per hectare dan grotere. De
kleinste boerderijen (27 hectare of kleiner) uit een onderzoek van de
Amerikaanse overheid, zijn meer dan tien keer zo productief dan de grootste
(6000 hectare of meer) en extreem kleine boerderijen (tot 4 hectare) kunnen meer
dan honderd keer zo productief zijn. Efficiënte landbouw is dus gebaseerd op
kleinschaligheid.
|